Geschiedenis Podcasts

Wereldkaart van Herodotus

Wereldkaart van Herodotus


Geschiedenis van de geografie

De geschiedenis van de geografie bevat veel geschiedenissen van de geografie die in de loop van de tijd en tussen verschillende culturele en politieke groepen zijn veranderd. In recentere ontwikkelingen is aardrijkskunde een aparte academische discipline geworden. 'Geografie' is afgeleid van het Griekse γεωγραφία – geografie, [1] letterlijk "Earth-writing", dat wil zeggen, beschrijving of schrijven over de aarde. De eerste persoon die het woord gebruikt geografie was Eratosthenes (276-194 voor Christus). Er is echter bewijs voor herkenbare praktijken van geografie, zoals cartografie (kaarten maken), voorafgaand aan het gebruik van de term.


Structuur en reikwijdte van de geschiedenis

Herodotus' onderwerp in zijn Geschiedenis is de oorlogen tussen Griekenland en Perzië (499-479 vce) en hun voorrondes. Zoals het heeft overleefd, de Geschiedenis is verdeeld in negen boeken (de indeling is niet die van de auteur): Boeken I-V beschrijven de achtergrond van de Grieks-Perzische oorlogen Boeken VI-IX bevatten de geschiedenis van de oorlogen, met als hoogtepunt een verslag van de invasie van de Perzische koning Xerxes in Griekenland (Boek VII) en de grote Griekse overwinningen in Salamis, Plataea en Mycale in 480-479 vce. Er zijn twee delen in de Geschiedenis, een daarvan is het systematische verhaal van de oorlog van 480-479 met zijn voorrondes vanaf 499 (inclusief de Ionische opstand en de slag bij Marathon in boek VI), de andere is het verhaal van de groei en organisatie van het Perzische rijk en een beschrijving van zijn geografie, sociale structuur en geschiedenis.

Moderne geleerden zijn het er niet over eens of Herodotus vanaf het begin deze regeling in gedachten had of was begonnen met een schema voor slechts één deel, ofwel een beschrijving van Perzië of een geschiedenis van de oorlog, en zo ja, met welke. Een waarschijnlijke mening is dat Herodotus begon met een plan voor de geschiedenis van de oorlog en dat hij later besloot tot een beschrijving van het Perzische rijk zelf. Want een man als Herodotus moest zich afvragen wat de Perzische invasiemacht betekende. Herodotus was diep onder de indruk, niet alleen door de grote omvang van het Perzische rijk, maar ook door het gevarieerde en polyglot karakter van zijn leger, dat toch in één enkel bevel was verenigd, in schril contrast met de Griekse strijdkrachten met hun politieke afdelingen en discutabele commandanten, hoewel de Grieken een gemeenschappelijke taal, religie en manier van denken deelden en hetzelfde gevoel over waar ze voor vochten. Dit verschil moest aan zijn lezers worden uitgelegd en daartoe beschrijft hij het rijk.

Een logisch verband tussen de twee hoofdsecties is te vinden in het verslag in Boek VII van de westelijke mars van Xerxes' immense leger van Sardis naar de Hellespont op weg naar de oversteek via de brug van boten naar Griekenland. Eerst komt een verhaal over Xerxes' arrogantie en prikkelbaarheid, gevolgd door nog een van zijn woeste en autocratische wreedheid, en dan komt een lange gedetailleerde beschrijving van de afzonderlijke militaire contingenten van het leger die marcheren alsof ze op parade zijn, gevolgd door een gedetailleerde opsomming van alle nationale en raciale elementen in de enorme invasiemacht.

Herodotus beschrijft de geschiedenis en de samenstellende delen van het Perzische rijk in de boeken I-IV. Zijn methode in het verslag van het rijk is om elke afdeling ervan te beschrijven, niet in een geografische volgorde, maar eerder zoals elk werd veroverd door Perzië - door de opeenvolgende Perzische koningen Cyrus, Cambyses en Darius. (De enige uitzondering op deze regeling is Lydia, dat helemaal aan het begin van de geschiedenis wordt behandeld, niet omdat het voor het eerst werd veroverd, maar omdat het het eerste vreemde land was dat de Griekse steden van Klein-Azië aanviel en overwon.)

Het eerste deel van Boek I, de geschiedenis en beschrijving van Lydië en de verovering ervan door de Perzen, wordt gevolgd door het verhaal van Cyrus zelf, zijn nederlaag van de Meden en een beschrijving van het eigenlijke Perzië, zijn aanval op de Massagetae (in het noordoosten , in de richting van de Kaspische Zee), en zijn dood. Boek II bevat de opeenvolging van Cambyses, de zoon van Cyrus, zijn plan om Egypte aan te vallen, en een immens lang verslag van dat unieke land en zijn geschiedenis. Boek III beschrijft de verovering van Egypte door de Perzen, het mislukken van hun invasies in het zuiden (Ethiopië) en het westen, de waanzin en dood van Cambyses, de strijd over de opvolging in Perzië, eindigend met de keuze van Darius als de nieuwe koning de organisatie van het enorme nieuwe rijk door hem, met enig verslag van de meest afgelegen provincies in het verre oosten als Bactrië en Noordwest-India en de interne opstanden die door Darius werden onderdrukt. Boek IV begint met de beschrijving en geschiedenis van de Scythische volkeren, van de Donau tot de Don, die Darius voorstelde aan te vallen door de Bosporus over te steken, en van hun land en van de Zwarte Zee.

Dan volgt het verhaal van de Perzische invasie van Scythië, die de onderwerping van meer Griekse steden met zich meebracht, zoals de gelijktijdige aanval van Byzantium van de Perzen vanuit Egypte op Libië, dat door Grieken was gekoloniseerd, en de beschrijving van dat land en zijn kolonisatie. Boek V beschrijft verdere Perzische opmars naar Griekenland vanaf de Hellespont en de onderwerping van Thracië en Macedonië en nog veel meer Griekse steden aan de Perzische macht, daarna het begin van de opstand van de Griekse steden Ionië tegen Perzië in 499, en zo tot de belangrijkste onderwerp van het hele werk.


De bekende wereld volgens Herodotus in de 5e eeuw voor Christus

Kaart gemaakt door Bibi Saint-Pol via Wikimedia

De kaart hierboven is een moderne weergave van het uitzicht van de oude Griekse historicus Herodotus 8217 op de Oecumeen (of oecumeen), letterlijk de bekende of de bewoonde wereld, in de 5e eeuw voor Christus. En hoewel duidelijk verre van volledig nauwkeurig, toont het duidelijk Europa, Afrika en Azië.

Bekijk de volgende boeken voor meer informatie over Herodotus:

Geniet van dit bericht? Help ons door het te delen:

Opmerkingen

Voor 500BC is dat een verdomd goede kaart!

Er is een bewering dat (ik geloof dat het zo was) de Mesopotamiërs, een verslag kregen van het feit dat ze door Herodotus om Afrika waren gereisd. Ze beschrijven zelfs dat de zon een schijnbaar rechts naar links 'traject'8221 door de lucht heeft zodra ze een bepaald punt in Afrika zijn gepasseerd. Ik geloof dat de reis ongeveer 3 jaar duurde omdat ze regelmatig stopten om gewassen te planten, schepen te repareren, enz.…

Laat een antwoord achter antwoord annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Lees hoe uw reactiegegevens worden verwerkt.


Citaten toegeschreven aan HerodotusDe vader van de geschiedenis

De ergste pijn die een mens kan lijden: inzicht hebben in veel en macht over niets.


Sommige mannen geven hun plannen op wanneer ze bijna het doel hebben bereikt, terwijl anderen juist een overwinning behalen door zich op het laatste moment krachtiger in te spannen dan ooit tevoren.


Hij is de beste man die, bij het maken van zijn plannen, vreest en reflecteert op alles wat hem kan overkomen, maar op het moment van actie brutaal is.


Griekse kaarten en geografie

De Grieken waren uitstekend onder de volkeren van de oude wereld vanwege hun streven naar en ontwikkeling van geografische kennis. Het tekort aan bouwland in de eigen regio leidde tot maritieme exploratie en de ontwikkeling van handel en koloniën. Tegen 600 vce was Miletus, aan de Egeïsche Zee, een centrum van geografische kennis en van kosmografische speculatie geworden.

Hecataeus, een geleerde van Milete, produceerde waarschijnlijk het eerste boek over aardrijkskunde in ongeveer 500 vce. Een generatie later breidde Herodotus, van uitgebreidere studies en bredere reizen, het uit. Herodotus, een historicus met geografische voorkeuren, registreerde onder andere een vroege omvaart van het Afrikaanse continent door Feniciërs. Hij verbeterde ook de afbakening van de vorm en omvang van de toen bekende regio's van de wereld, en hij verklaarde dat de Kaspische Zee een binnenzee was, in tegenstelling tot de heersende opvatting dat het deel uitmaakte van de "noordelijke oceanen" (Figuur 1). .

Hoewel Hecataeus de aarde beschouwde als een platte schijf omringd door oceaan, stelden Herodotus en zijn volgelingen het concept in vraag en stelden een aantal andere mogelijke vormen voor. Inderdaad, de filosofen en geleerden van die tijd lijken zich al een aantal jaren bezig te houden met discussies over de aard en omvang van de wereld. Sommige moderne geleerden schrijven de eerste hypothese van een bolvormige aarde toe aan Pythagoras (6e eeuw vGT) of Parmenides (5e eeuw). Het idee ontwikkelde zich geleidelijk tot een consensus gedurende vele jaren. Hoe dan ook, tegen het midden van de 4e eeuw werd de theorie van een bolvormige aarde goed aanvaard door Griekse geleerden, en ongeveer 350 vce formuleerde Aristoteles zes argumenten om te bewijzen dat de aarde in werkelijkheid een bol was. Vanaf die tijd werd het idee van een bolvormige aarde algemeen aanvaard onder geografen en andere wetenschappers.

Ongeveer 300 vce Dicaearchus, een leerling van Aristoteles, plaatste een oriëntatielijn op de wereldkaart, die oost en west door Gibraltar en Rhodos liep. Eratosthenes, Marinus van Tyrus en Ptolemaeus ontwikkelden achtereenvolgens het referentielijnprincipe totdat een redelijk uitgebreid systeem van parallellen en meridianen, evenals methoden om ze te projecteren, was bereikt.

De grootste figuur van de antieke wereld in de vooruitgang van geografie en cartografie was Claudius Ptolemaeus (Ptolemaeus 90–168 gt). Als astronoom en wiskundige bracht hij vele jaren door in de bibliotheek in Alexandrië, de grootste opslagplaats van wetenschappelijke kennis in die tijd. Zijn monumentale werk, de Gids voor geografie (Geōgraphikē hyphēgēsis), werd geproduceerd in acht delen. Het eerste deel besprak basisprincipes en ging over kaartprojectie en wereldbolconstructie. De volgende zes delen bevatten een lijst met de namen van zo'n 8.000 plaatsen en hun geschatte breedte- en lengtegraden. Behalve enkele die door waarnemingen werden gedaan, werd het grootste aantal van deze plaatsen bepaald van oudere kaarten, met benaderingen van afstanden en richtingen die van reizigers worden genomen. Ze waren nauwkeurig genoeg om relatieve locaties weer te geven op de zeer kleinschalige, rudimentaire kaarten die bestonden.

Het achtste deel was een zeer belangrijke bijdrage, met instructies voor het maken van wereldkaarten en discussies over wiskundige geografie en andere fundamentele principes van cartografie. De kaart van Ptolemaeus van de wereld zoals die toen bekend was, markeerde het hoogtepunt van de Griekse cartografie, evenals een compendium van verzamelde kennis van de kenmerken van de aarde in die tijd (Figuur 2).


9. Sommige vrouwen in Libië droegen versieringen die hun aantal seksuele veroveringen aangaven.

Herodotus beschrijft het Gindane-volk van Libië als volgt: “De vrouwen van deze stam dragen leren banden om hun enkels, die verondersteld worden het aantal van hun minnaars aan te geven: elke vrouw doet één band om voor elke man waarmee ze naar bed is gegaan, zodat wie het grootste aantal heeft, de grootste reputatie geniet, omdat ze door het grootste aantal mannen is bemind.” (Overigens geloofde Herodotus ook dat de Gindanes leefden tussen de mythische Lotuseters, die beroemd waren om hun apathie.)


Wereldkaart van Herodotus - Geschiedenis

Vertaald door George Rawlinson

De Perzen achtergelaten door koning Darius in Europa, die Megabazus als hun generaal hadden, verminderden, vóór enige andere Hellespontijnse staat, het volk van Perinthus, dat geen zin had om onderdanen van de koning te worden. Nu waren de Perinthiërs voordat dit ruw werd afgehandeld door een andere natie, de Paeoniërs. Want de Paeoniërs uit de buurt van de Strymon kregen eens van een orakel het bevel om oorlog te voeren tegen de Perinthiërs, en als deze laatsten, toen de kampen tegenover elkaar stonden, hen bij naam uitdaagden om te vechten, dan om een ​​slag te wagen, maar als het anders was, niet om het gevaar te maken. De Paeoniërs volgden het advies op. Nu trokken de mannen van Perinthus naar hen toe om hen in de rand van hun stad te ontmoeten en een drievoudig tweegevecht werd uitgevochten op uitdaging gegeven. Man tot man, en paard tot paard, en hond tot hond, was de strijd die gevoerd werd en de Perinthiërs, winnaars van twee van de drie gevechten, hadden in hun vreugde de lofzang opgeworpen toen de Paeoniërs troffen door de gedachte dat dit was wat de orakel had bedoeld, het woord aan elkaar doorgeven, zeggende: "Nu is het orakel zeker voor ons vervuld nu ons werk begint." Toen vielen de Paeoniërs de Perinthiërs aan in het midden van hun lofzang, en versloegen hen volkomen, terwijl slechts weinigen van hen in leven bleven.

Dat was de zaak van de Paeoniërs, wat lang geleden was gebeurd. Op dat moment werden de Perinthiërs, na een dappere strijd voor vrijheid, door aantallen overweldigd en gaven ze zich over aan Megabazus en zijn Perzen. Nadat Perinthus ten onder was gebracht, leidde Megabazus zijn leger door Thracië, waarbij hij alle steden en alle volkeren van die streken onderwierp aan de heerschappij van de koning. Want het bevel van de koning aan hem was dat hij Thracië zou veroveren.

De Thraciërs zijn de machtigste mensen ter wereld, behalve natuurlijk de Indianen en als ze één hoofd hadden, of onderling overeengekomen waren, geloof ik dat hun match nergens te vinden was en dat ze heel ver zouden komen. alle andere naties overtreffen. Maar zo'n vereniging is voor hen onmogelijk en er zijn geen middelen om die ooit tot stand te brengen. Hierin ligt dan ook hun zwakte. De Thraciërs dragen vele namen in de verschillende streken van hun land, maar ze hebben allemaal dezelfde gebruiken in elk opzicht, behalve alleen de Getae, de Trausi en degenen die boven de mensen van Creston wonen.

Nu heb ik al gesproken over de zeden en gebruiken van de Getae, die in hun onsterfelijkheid geloven. De Trausi lijken in al het andere op de andere Thraciërs, maar hebben gewoonten bij geboorte en overlijden die ik nu zal beschrijven. Wanneer een kind wordt geboren, zitten al zijn verwanten eromheen in een kring en huilen om de ellende die het zal moeten ondergaan nu het ter wereld is gekomen, waarbij melding wordt gemaakt van elk kwaad dat het lot van de mensheid overkomt wanneer op de aan de andere kant is er een man gestorven, ze begraven hem met gelach en vreugde, en zeggen dat hij nu vrij is van een groot aantal lijden en het grootste geluk geniet.

De Thraciërs die boven de Crestonaeans leven, houden zich aan de volgende gebruiken. Elke man onder hen heeft meerdere vrouwen en zodra er een man sterft, ontstaat er een scherpe strijd tussen de vrouwen over de vraag van wie de echtgenoot het meest teder hield, de vrienden van elk pleitten gretig voor haar, en zij aan wie de eer wordt geoordeeld, na ontvangst van de lof van zowel mannen als vrouwen, wordt over het graf gedood door de hand van haar nabestaanden, en vervolgens begraven met haar echtgenoot. De anderen zijn erg bedroefd, want niets wordt als zo'n schande beschouwd.

De Thraciërs die niet tot deze stammen behoren, hebben de volgende gebruiken. Ze verkopen hun kinderen aan handelaren. Op hun maagden houden ze geen wacht, maar laten ze geheel vrij, terwijl ze op het gedrag van hun vrouwen een zeer strikte wacht houden. Voor grote sommen geld worden bruiden van hun ouders gekocht. Tatoeëren onder hen markeert een adellijke geboorte, en het gebrek aan een lage geboorte. Nutteloos zijn wordt beschouwd als de meest eervolle zaak, en een bewerker van de grond zijn de meest oneervolle. Door oorlog en plundering te leven is van alle dingen het heerlijkst. Dit zijn de meest opmerkelijke van hun gebruiken.

De goden die zij aanbidden zijn slechts drie: Mars, Bacchus en Dian. Hun koningen aanbidden echter, in tegenstelling tot de rest van de burgers, Mercurius meer dan enige andere god, zweren altijd bij zijn naam en verklaren dat ze zelf uit hem zijn voortgekomen.

Hun rijken worden op de volgende manier begraven. Het lichaam wordt gedurende drie dagen neergelegd en gedurende deze tijd doden ze allerlei soorten slachtoffers, en smullen ervan, nadat ze eerst de overledenen hebben beweend. Daarna verbranden ze het lichaam of begraven het in de grond. Ten slotte heffen ze een heuvel op boven het graf en houden ze allerlei soorten spellen, waarbij het tweegevecht de hoogste prijs krijgt. Dat is de wijze van begraven onder de Thraciërs.

Wat betreft het gebied dat ten noorden van dit land ligt, kan niemand met zekerheid zeggen welke mensen het bewonen. Het lijkt erop dat je de Ister nog maar net oversteekt of je een eindeloze wildernis betreedt. De enige mensen van wie ik kan horen dat ze buiten de Ister wonen, zijn het ras genaamd Sigynnae, die, zo zeggen ze, een jurk dragen zoals de Meden, en paarden hebben die volledig bedekt zijn met een vacht van ruig haar, vijf vingers lang. Ze zijn een klein ras, met een platte neus en niet sterk genoeg om mannen op hun rug te dragen, maar als ze in strijdwagens worden vastgemaakt, behoren ze tot de snelst bekende, en dat is de reden waarom de mensen van dat land strijdwagens gebruiken. Hun grenzen reiken bijna tot aan de Eneti aan de Adriatische Zee, en ze noemen zichzelf kolonisten van de Meden, maar hoe ze kolonisten van de Meden kunnen zijn, kan ik mij van mijn kant niet voorstellen. Toch is niets onmogelijk in de lange tijdspanne. Sigynnae is de naam die de Liguriërs die boven Massilia wonen, aan handelaren geven, terwijl het woord bij de Cypriërs speren betekent.

Volgens het verslag van de Thraciërs is het land achter de Ister bezeten door bijen, waardoor het onmogelijk is verder binnen te dringen. Maar hierin lijken ze mij te zeggen wat niet waarschijnlijk is, want het is zeker dat die wezens erg ongeduldig zijn tegen kou. Ik geloof eerder dat het vanwege de kou is dat de streken die onder de Beer liggen, geen inwoners hebben. Dit zijn dan de verslagen van dit land, de zeekust waarvan Megabazus nu werd gebruikt om zich aan de Perzen te onderwerpen.

Koning Darius was nog maar net de Hellespont overgestoken en Sardis bereikt, of hij dacht aan de goede daad van Histiaeus de Milesiër en aan de goede raad van de Mytileense Coes. Daarom liet hij hen beiden naar Sardes komen, en gebood dat ze elk uit zijn handen naar een zegen zouden verlangen. Nu vroeg Histiaeus, aangezien hij al koning van Milete was, niet om een ​​andere regering, maar hij vroeg Darius hem Myrcinus van de Edoniërs te geven, waar hij een stad voor hem wilde bouwen. Dat was de keuze die Histiaeus maakte. Coes daarentegen verzocht, daar hij slechts een burger was en geen koning, de soevereiniteit van Mytilene. Beiden kregen gelijk hun verzoek en begaven zich meteen naar de plaatsen die ze hadden uitgekozen.

Intussen was het toeval dat koning Darius iets zag dat hem deed besluiten om Megabazus te vragen de Paeoniërs van hun zetels in Europa te halen en ze naar Azië te vervoeren. Er waren twee Paeonians, Pigres en Mantyes, wiens ambitie het was om de soevereiniteit over hun landgenoten te verkrijgen. Zodra Darius dus Azië binnentrok, kwamen deze mannen naar Sardes en brachten hun zuster mee, die een lange en mooie vrouw was. Nadat ze dat hadden gedaan, wachtten ze tot er een dag kwam waarop de koning in staat van dienst was in de voorstad van de Lydiërs en vervolgens hun zus in de rijkste uitrusting kleedde die ze konden, en haar stuurde om water voor hen te putten. Ze droeg een kruik op haar hoofd en leidde met één arm een ​​paard, terwijl ze de hele weg vlas spande. Toen ze voorbijging waar de koning was, lette Darius op haar, want het was niet zoals de Perzen, noch de Lydiërs, noch een van de inwoners van Azië, om te doen wat zij deed.Darius merkte haar daarom op en beval enkele van zijn bewakers haar stappen te volgen en te kijken wat ze met het paard zou doen. Dus de speerwerpers gingen en de vrouw, toen ze bij de rivier kwam, gaf eerst het paard water, en vulde toen de kruik, kwam terug op dezelfde manier als ze was gegaan, met de kruik water op haar hoofd, en het paard sleepte op haar arm, terwijl ze nog steeds aan de spil bleef draaien.

Koning Darius was vol verwondering, zowel over wat zij die de vrouw hadden gezien, hem vertelden, als over wat hij zelf had gezien. Dus beval hij dat ze voor hem moest worden gebracht. En de vrouw kwam en met haar verschenen haar broers, die alles een eindje verderop hadden gadegeslagen. Toen vroeg Darius hen van welk volk de vrouw was en de jonge mannen antwoordden dat ze Paeoniërs waren en dat zij hun zuster was. Darius voegde zich weer bij de vraag: 'Wie waren de Paeoniërs en in welk deel van de wereld woonden ze? En verder, welke zaken hadden de jonge mannen naar Sardes gebracht?' Toen vertelden de broers hem dat ze waren gekomen om zichzelf onder zijn macht te stellen, en Paeonia was een land aan de rivier de Strymon, en de Strymon was niet ver van de Hellespont. De Paeoniërs, zeiden ze, waren kolonisten van de Teucrianen uit Troje. Toen ze zijn vragen zo hadden beantwoord, vroeg Darius of alle vrouwen van hun land zo hard werkten? Toen antwoordden de broeders gretig: Ja, want dit was precies het doel waarmee de hele zaak was gedaan.

Dus schreef Darius brieven aan Megabazus, de commandant die hij in Thracië had achtergelaten, en beval hem de Paeoniërs uit hun eigen land te verwijderen en hen in zijn aanwezigheid te brengen, mannen, vrouwen en kinderen. En meteen nam een ​​ruiter de boodschap aan, reed met hoge snelheid naar de Hellespont en gaf de krant aan Megabazus, die overstak. Toen Megabazus, zodra hij het had gelezen en gidsen uit Thracië had gekocht, oorlog voerde tegen Paeonia.

Toen de Paeoniërs hoorden dat de Perzen tegen hen optrokken, verzamelden ze zich en marcheerden naar de zeekust, omdat ze dachten dat de Perzen zouden proberen hun land aan die kant binnen te komen. Hier stonden ze dan klaar om het leger van Megabazus te bestrijden. Maar de Perzen, die wisten dat ze verzameld waren en op weg waren om de pas bij de zee te bewaken, kregen gidsen en namen de binnenlandse route voordat de Paeoniërs het wisten, stortten zich op hun steden, van waaruit de mannen alle marcheerde naar buiten en vond ze leeg, kreeg ze gemakkelijk in bezit. Toen de mannen hoorden dat al hun steden waren ingenomen, verspreidden ze zich heen en weer naar hun huizen en gaven zich over aan de Perzen. En dus werden deze stammen van de Paeoniërs, te weten de Siropaeoniërs, de Paeoplianen en alle anderen tot aan het Prasiasmeer, van hun zetels gerukt en weggevoerd naar Azië.

Aan de andere kant, die woonden rond de berg Pangaeum en in het land van de Doberes, de Agrianians en de Odomantians, en zij die eveneens het Prasiasmeer bewoonden, werden niet veroverd door Megabazus. Hij probeerde inderdaad de bewoners van het meer te onderwerpen, maar kon zijn doel niet bereiken. Hun manier van leven is de volgende. In het midden van het meer staan ​​platforms ondersteund op hoge palen, die vanaf het land worden benaderd door een enkele smalle brug. In het begin werden de palen die de platforms dragen op hun plaats vastgezet door het hele lichaam van de burgers, maar sinds die tijd is de gewoonte die heerste om ze te bevestigen deze: - ze worden gebracht van een heuvel genaamd Orbelus, en elke man rijdt in drie voor elke vrouw die hij trouwt. Nu hebben de mannen allemaal veel vrouwen en dit is de manier waarop ze leven. Elk heeft zijn eigen hut, waarin hij woont, op een van de platforms, en elk heeft ook een luik dat toegang geeft tot het meer beneden en het is hun gewoonte om hun baby's aan de voet vast te binden met een touwtje, om te voorkomen dat ze in het water. Ze voeren hun paarden en hun andere dieren met vissen, die in het meer zo overvloedig aanwezig zijn dat een man alleen maar zijn valluik hoeft te openen en een mand aan een touw in het water hoeft te laten, en dan een heel eind te wachten. korte tijd, als hij het er helemaal vol van heeft. Er zijn twee soorten vissen, die ze de paprax en de tilon noemen.

Daarom werden de Paeoniërs - tenminste die van hen die waren overwonnen - weggevoerd naar Azië. Wat Megabazus betreft, hij bracht de Paeoniërs nog maar net onder, of hij zond een ambassade van Perzen naar Macedonië, en koos voor het doel de zeven meest vooraanstaande mannen van het hele leger na zichzelf. Deze personen moesten naar Amyntas gaan en van hem eisen dat hij aarde en water aan koning Darius zou geven. Nu is er een kortere weg van het Prasiasmeer naar Macedonië. Heel dicht bij het meer is de mijn die daarna een talent zilver per dag aan Alexander opleverde en van deze mijn hoef je alleen maar de berg Dysorum over te steken om je op het Macedonische grondgebied te bevinden.

Dus stuurden de Perzen deze boodschap, toen ze het hof bereikten en in de tegenwoordigheid van Amyntas werden gebracht, eisten dat hij aarde en water aan koning Darius zou geven. En Amyntas gaf hun niet alleen wat ze vroegen, maar nodigde hen ook uit om met hem te komen feesten, waarna hij het bord met grote pracht klaarmaakte en de Perzen op de juiste vriendelijke manier vermaakte. Toen de maaltijd voorbij was en ze allemaal aan het drinken waren, zeiden de Perzen:

"Beste Macedoniër, wij Perzen hebben de gewoonte wanneer we een groot feest organiseren om onze vrouwen en bijvrouwen mee te nemen naar het bord en ze naast ons te laten zitten. Nu dan, aangezien je ons zo vriendelijk hebt ontvangen en ons zo mooi hebt gegeten , en bovendien aarde en water aan koning Darius geeft, doe ook naar onze gewoonte in deze zaak."

Toen antwoordde Amyntas: "O, Perzen! We hebben niet zo'n gewoonte als deze, maar bij ons worden mannen en vrouwen gescheiden. Niettemin, aangezien u, die onze heren zijn, het wenst, zal dit u ook worden toegestaan."

Toen Amyntas aldus had gesproken, beval hij sommigen de vrouwen te gaan halen. En de vrouwen kwamen op zijn oproep en gingen op een rij zitten tegenover de Perzen. Toen de Perzen zagen dat de vrouwen mooi en mooi waren, spraken ze opnieuw met Amyntas en zeiden: "Wat er was gedaan, was niet verstandig, want het was beter voor de vrouwen geweest om helemaal niet te komen, dan om binnen te komen. op deze manier, en niet naast hen zitten, maar tegenover hen blijven, de kwelling van hun ogen." Dus werd Amyntas gedwongen om de vrouwen naast de Perzen te laten zitten. De vrouwen deden wat hij beval en toen begonnen de Perzen, die meer hadden gedronken dan ze zouden moeten, hun handen op hen te leggen, en één probeerde zelfs de vrouw naast hem een ​​kus te geven.

Koning Amyntas zag het, maar hij zweeg, hoewel hij zeer bedroefd was, want hij was zeer bang voor de macht van de Perzen. Alexander echter, de zoon van Amyntas, die eveneens aanwezig was en het geheel aanschouwde, kon zich als jonge man en onbekend met lijden niet langer inhouden. Daarom sprak hij vol woede tot Amyntas: "Beste vader, je bent oud en zou jezelf moeten sparen. Sta op van tafel en ga uitrusten, blijf niet buiten het drinken. Ik zal bij de gasten blijven en hen dat hoort er allemaal bij."

Amyntas, die vermoedde dat Alexander een wilde grap zou uithalen, antwoordde: "Lieve zoon, je woorden klinken voor mij als die van iemand die bijna in brand staat, en ik bemerk dat je me wegstuurt om een ​​of andere wilde daad te doen. Ik smeek u, maak geen opschudding over deze mannen, opdat u ons niet allemaal ten gronde richt, maar blijf kalm kijken naar wat ze doen. Voor mezelf zal ik me altijd terugtrekken zoals u me vraagt.'

Amyntas, toen hij zijn zoon zo had gesmeekt, ging naar buiten en Alexander zei tegen de Perzen: "Zie deze dames als uw eigen, beste vreemdelingen, allemaal of een van hen - vertel ons alleen uw wensen. Maar nu, als de avond vordert , en ik zie dat jullie allemaal wijn genoeg hebben gehad, laat ze, als je wilt, zich terugtrekken, en als ze een bad hebben genomen, komen ze weer terug." De Perzen stemden hiermee in, en Alexander, nadat hij de vrouwen had weggebracht, zond ze naar de harem en maakte in hun kamer een gelijk aantal baardeloze jongeren gereed, die hij in de kleding van de vrouwen kleedde en hen vervolgens bewapende. met dolken, bracht ze naar de Perzen en zei terwijl hij hen voorstelde: "Ik denk, beste Perzen, dat je entertainment in niets tekort is geschoten. We hebben je alles voorgehouden wat we zelf in petto hadden en alles wat we overal vinden om u te geven - en nu, om het geheel te bekronen, geven we u onze zusters en onze moeders, zodat u kunt zien dat u volledig door ons wordt geëerd, zoals u verdient te zijn - en ook dat u kunt terugnemen woord aan de koning die u hierheen heeft gestuurd, dat er één man was, een Griek, de satraap van Macedonië, door wie u zowel een feestmaal als een mooi verblijf hebt gehad." Zo sprekend zette Alexander zich aan de zijde van elke Perzische van degenen die hij Macedonische vrouwen had genoemd, maar die in werkelijkheid mannen waren. En toen de Perzen grof begonnen te worden, stuurden deze mannen hen met hun dolken.

Dus de ambassadeurs kwamen om door deze dood, zowel zij als hun volgelingen. Want de Perzen hadden een grote trein met zich meegebracht, rijtuigen en bedienden en allerlei soorten bagage, die allemaal tegelijk met de mannen zelf verdwenen. Niet lang daarna gingen de Perzen op zoek naar hun verloren ambassade, maar Alexander stopte met veel wijsheid de zaak en kocht degenen die voor de boodschap waren gestuurd om, deels met geld en deels met het geschenk van zijn eigen zuster Gygaea, die hij gaf. in het huwelijk met Bubares, een Pers, de belangrijkste leider van de expeditie die op zoek was naar de verloren mannen. Zo werd de dood van deze Perzen in de doofpot gestopt en werd er niet meer over gezegd.

Nu de mannen van deze familie Grieken zijn, voortgekomen uit Perdiccas, zoals zij zelf beweren, is iets dat ik naar eigen weten kan verklaren, en dat ik hierna duidelijk zal maken. Dat ze dat zijn, is al vastgesteld door degenen die de Pan-Helleense wedstrijd in Olympia leiden. Want toen Alexander in de spelen wilde strijden en zonder enig ander uitzicht naar Olympia was gekomen, zouden de Grieken die op het punt stonden tegen hem te strijden hem van de wedstrijd hebben uitgesloten - zeggende dat alleen Grieken mochten strijden, en geen barbaren. Maar Alexander bewees dat hij een Argiver was, en werd duidelijk als Griek bestempeld, waarna hij op de lijsten voor de wedloop kwam en werd getrokken om in het eerste paar te lopen. Zo was deze zaak geregeld.

Megabazus, die met de Paeoniërs de Hellespont had bereikt, stak deze over en ging naar Sardis. Toen hij in Europa was, was hij zich ervan bewust geworden dat Histiaeus de Milesiër een muur oprichtte bij Myrcinus - de stad op de Strymon die hij van koning Darius had gekregen als zijn borg voor het behoud van de brug. Nauwelijks bereikte hij Sardis met de Paeoniërs of hij zei tegen Darius: "Wat is dit voor een dwaasheid dat u hebt gedaan, heer, om een ​​Griek, een wijs man en een schrander, een stad in Thracië te laten veroveren, een ook een plaats waar een overvloed is aan hout dat geschikt is voor scheepsbouw, en roeiriemen in overvloed, en mijnen van zilver, en waar omheen veel inwoners zijn, zowel Grieken als barbaars, die gereed genoeg zijn om hem als hun leider te nemen, en dag en nacht om zijn werk te doen. Ik bid u dat deze man zijn werk moet staken, als u niet verstrikt zou raken in een oorlog met uw eigen volgelingen. Houd hem tegen, maar met een vriendelijke boodschap, hem alleen verzoekend naar u toe te komen. Als u hem dan eenmaal binnen hebt uw macht, zorg ervoor dat u er goed voor zorgt dat hij nooit meer terugkomt naar Griekenland."

Met deze woorden wist Megabazus Darius gemakkelijk te overtuigen, die meende in deze zaak een vooruitziende blik te hebben getoond. Darius stuurde daarom een ​​boodschapper naar Myrcinus, die zei: "Dit zijn de woorden van de koning tot u, o Histiaeus! Ik heb gezocht naar een man die zeer genegen was voor mij en voor mijn grootheid en ik heb niemand gevonden die ik kan vertrouwen zoals U. Uw daden, en niet alleen uw woorden, hebben uw liefde voor mij bewezen. Nu dan, aangezien ik een machtige onderneming in de hand heb, bid ik u, kom naar mij toe, zodat ik u kan laten zien wat ik van plan ben!'

Toen Histiaeus dit hoorde, geloofde hij in de woorden van de boodschapper en, omdat het hem een ​​grootse zaak leek om de raadsman van de koning te zijn, ging hij meteen naar Sardis. Toen Darius was gekomen, zei hij tegen hem: "Beste Histiaeus, hoor waarom ik je heb laten komen. Nauwelijks keerde ik terug uit Scythia en verloor ik je uit mijn zicht, of ik verlangde, zoals ik nooit heb verlangd. iets anders, om u nog een keer te aanschouwen en met u te praten. Ik ben er zeker van dat er niets in de hele wereld zo kostbaar is als een vriend die tegelijk wijs en waarachtig is: beide die u bent, want ik heb goede gehad bewijs in wat je al voor mij hebt gedaan. Nu dan is het goed dat je bent gekomen om te kijken, ik heb je een aanbod te doen. Laat Milete en je pas gestichte stad in Thracië gaan en ga met me mee naar Susa deel alles wat ik heb, leef bij mij en wees mijn raadgever.

Toen Darius aldus had gesproken, liet hij Artafernes, zijn broer aan de zijde van zijn vader, gouverneur van Sardis worden, en Histiaeus meenemend, ging hij naar Susa. Hij vertrok als generaal van alle troepen aan de zeekust Otanes, zoon van Sisamnes, wiens vader koning Cambyses doodde en vilde, omdat hij, als een van de koninklijke rechters, geld had aangenomen om een ​​onrechtvaardig vonnis uit te spreken. Daarom doodde en vilde Cambyses Sisamnes, sneed zijn huid in repen en spande ze over de zetel van de troon waarop hij gewoon had gezeten toen hij oorzaken hoorde. Toen Cambyses dit had gedaan, benoemde hij de zoon van Sisamnes tot rechter in de kamer van zijn vader, en verzocht hem nooit te vergeten hoe zijn stoel bekleed was.

Dienovereenkomstig werd deze Otanes, die zo'n vreemde troon had bezet, de opvolger van Megabazus onder zijn bevel, en nam eerst Byzantium en Chalcidon, toen Antandrus in de Troas en vervolgens Lamponium in. Toen hij dit deed, leende hij schepen van de lesbiennes en nam Lemnos en Imbrus in, die nog steeds door Pelasgen werden bewoond.

Nu stonden de Lemniërs in hun verdediging en vochten dapper, maar ze werden in de loop van de tijd neergehaald. Degenen die de strijd overleefden, werden door de Perzen onder de regering van Lycaretus geplaatst, de broer van die Maeandrius die de tiran van Samos was. (Deze Lycaretus stierf later in zijn regering.) De oorzaak die Otanes beweerde voor het veroveren en tot slaaf maken van al deze naties was dat sommigen hadden geweigerd zich bij het leger van de koning aan te sluiten tegen Scythia, terwijl anderen het leger hadden lastiggevallen bij zijn terugkeer. Dat waren de heldendaden die Otanes onder zijn bevel uitvoerde.

Daarna, maar niet lang, was er een onderbreking van het lijden. Toen verzamelden zich vanuit Naxos en Miletus opnieuw problemen over Ionië. Nu overtrof Naxos in die tijd alle andere eilanden in welvaart, en Miletus had het toppunt van haar macht bereikt en was de glorie van Ionië. Maar eerder hadden de Milesiërs twee generaties lang zwaar geleden onder burgerlijke onlusten, die werden samengesteld door de Pariërs, die de Milesiërs vóór de rest van de Grieken verkozen om hun regering te herschikken.

De manier waarop de Pariërs hun meningsverschillen heelden, was de volgende. Een aantal van de belangrijkste Pariërs kwam naar Milete en toen ze zagen in hoe verwoestend de Milesiërs waren, zeiden ze dat ze eerst hun land wilden oversteken. Dus gingen ze door heel Milesië, en op hun weg, telkens als ze in het woeste en verlaten land een land zagen dat goed bebouwd was, schreven ze de namen van de eigenaren op hun tabletten en waren zo door het hele gebied gegaan, en verkregen na alles behalve weinig namen, riepen ze de mensen bij elkaar bij hun terugkeer naar Miletus, en maakten bekend dat ze de regering in handen gaven van die personen wier land ze goed bebouwd hadden gevonden, omdat ze het waarschijnlijk achtten (ze zeiden) dat dezelfde personen die hun eigen zaken goed hadden geregeld, zouden ook de zaken van de staat goed regelen. De andere Milesiërs, die in het verleden het oneens waren geweest, plaatsten ze onder de heerschappij van deze mannen. Zo werd de Milesische regering door de Pariërs in orde gebracht.

Het was echter uit de twee bovengenoemde steden dat de problemen zich nu opnieuw begonnen te verzamelen over Ionië en dit is de manier waarop ze ontstonden. Enkele rijke mannen waren door de burgerij uit Naxos verbannen en waren na hun verbanning naar Milete gevlucht. Aristagoras, zoon van Molpagoras, de neef en eveneens de schoonzoon van Histiaeus, zoon van Lysagoras, die nog steeds door Darius in Susa werd gehouden, was toevallig regent van Miletus op het moment van hun komst. Want de koninklijke macht behoorde toe aan Histiaeus, maar hij was in Susa toen de Naxiërs kwamen. Nu waren deze Naxiërs in het verleden bondgenoten van Histiaeus geweest en dus richtten ze zich bij hun aankomst in Miletus tot Aristagoras en smeekten hem om hen zoveel hulp te verlenen als hij kon, in de hoop daardoor hun land terug te krijgen. Toen Aristagoras bij zichzelf in overweging nam dat, als de Naxiërs door zijn hulp zouden worden hersteld, hij heer van Naxos zou zijn, de vriendschap met Histiaeus naar voren bracht om zijn opvattingen te verhullen, en sprak als volgt:

"Ik kan me niet inlaten om je zo'n macht te geven als nodig was om je, tegen hun wil, op te dringen aan de Naxiërs die de stad in bezit hebben, want ik weet dat ze achtduizend beukelaars in het veld kunnen brengen, en ook een groot aantal schepen hebben. van de oorlog. Maar ik zal alles doen wat in mijn vermogen ligt om je wat hulp te bieden, en ik denk dat ik het op deze manier kan regelen. Artaphernes is toevallig mijn vriend. Nu is hij een zoon van Hystaspes en broer van koning Darius De hele zeekust van Azië ligt onder hem, en hij heeft een talrijk leger en talrijke schepen. Ik denk dat ik hem kan overhalen om te doen wat we nodig hebben."

Toen de Naxiërs dit hoorden, gaven ze Aristagoras de macht om de zaak zo goed mogelijk voor hen te regelen, en vertelden hem geschenken te beloven en te betalen voor de soldaten, die (ze zeiden) ze graag zouden leveren, omdat ze grote hoop hadden dat de De Naxiërs zouden, zodra ze zagen dat ze terugkwamen, hen gehoorzamen, en ook de andere eilandbewoners. Want in die tijd was geen van de Cycladen onderworpen aan koning Darius.

Dus ging Aristagoras naar Sardis en vertelde Artafernes dat Naxos een eiland was van niet grote omvang, maar een mooi en vruchtbaar land, dat in de buurt van Ionië lag en veel schatten en een groot aantal slaven bevatte. "Voeg dan oorlog tegen dit land (zei hij) en herstel de ballingen, want als je dit wilt doen, heb ik allereerst zeer rijke geschenken voor je in petto (buiten de kosten van de bewapening, waarvan het eerlijk is dat wij die zijn de oorlogsslachtoffers zouden moeten betalen) en ten tweede zult u niet alleen Naxos onder de macht van de koning brengen, maar ook de andere eilanden die ervan afhankelijk zijn, zoals Paros, Andros en de rest van de Cycladen. Als je deze hebt gewonnen, kun je gemakkelijk verder trekken tegen Euboea, dat een groot en welvarend eiland is, niet kleiner dan Cyprus, en heel gemakkelijk onder te brengen. Honderd schepen waren voldoende om het geheel te onderwerpen.' De ander antwoordde: "Waarlijk, je bent de auteur van een plan dat veel voordeel kan opleveren voor het huis van de koning, en je raad is goed in alle punten behalve het aantal schepen. In plaats van honderd, zullen tweehonderd tot je beschikking staan. als de lente komt. Maar de koning zelf moet eerst de onderneming goedkeuren.'

Toen Aristagoras dit hoorde, was hij zeer verheugd en ging met een goed hart naar Milete terug. En Artafernes, nadat hij een boodschapper naar Susa had gestuurd om de plannen van Aristagoras aan de koning voor te leggen, en zijn goedkeuring van de onderneming had gekregen, maakte een vloot klaar van tweehonderd triremen en een groot leger van Perzen en hun bondgenoten. Het bevel hierover gaf hij aan een Pers genaamd Megabates, die behoorde tot het huis van de Achaemeniden, een neef van zowel hemzelf als koning Darius. Het was met een dochter van deze man dat Pausanias de Lacedaemonian, de zoon van Cleombrotus (als er tenminste enige waarheid in het verhaal zit), vele jaren later een verbond sloot, toen hij de wens kreeg om tiran van Griekenland te worden. Artaphernes stuurde nu, nadat hij Megabates aan het bevel had genoemd, de bewapening naar Aristagoras.

Megabates zette koers en, bij Miletus aangekomen, nam hij Aristagoras aan boord met de Ionische troepen en de Naxiërs, waarna hij, terwijl hij uitgaf, naar de Hellespont stuurde en toen hij Chios bereikte, bracht hij de vloot voor anker bij Caucasa, zijnde bereid om daar op een noordenwind te wachten en dan rechtstreeks naar Naxos te zeilen. De Naxiërs zouden op dit moment echter niet omkomen en dus werden de volgende gebeurtenissen teweeggebracht. Terwijl Megabates zijn ronde deed om de wacht aan boord van de schepen te bezoeken, vond hij een Myndiaans schip waarop er geen was opgesteld. Vol woede over deze onvoorzichtigheid beval hij zijn bewakers om de kapitein te zoeken, ene Scylax bij naam, en duwde hem door een van de gaten in de zijkant van het schip, om hem daar zo vast te maken dat zijn hoofd buiten de vat, terwijl zijn lichaam binnen bleef. Toen Scylax aldus was vastgemaakt, ging men naar Aristagoras en deelde Aristagoras mee dat Megabates zijn Myndische vriend had vastgebonden en hem schandelijk smeekte. Dus kwam hij en vroeg Megabates om de man vrij te laten, maar de Pers weigerde hem waarop Aristagoras zelf ging en Scylax vrijliet. Toen Megabates dit hoorde, was hij nog bozer dan voorheen, en sprak hij fel tot Aristagoras. Toen zei de laatste tegen hem-

'Wat hebt u met deze zaken te maken? Bent u niet door Artafernes hierheen gestuurd om mij te gehoorzamen en te zeilen waarheen ik ook beval? Waarom bemoeit u zich daar mee?

Zo sprak Aristogoras. De ander wachtte tot de nacht en zond toen een boot naar Naxos om de Naxiërs te waarschuwen voor het komende gevaar.

Nu hadden de Naxiërs tot nu toe geen enkel vermoeden gehad dat de bewapening tegen hen was gericht, dus toen de boodschap hen bereikte, brachten ze onmiddellijk binnen hun muren alles wat ze in het open veld hadden en maakten zich gereed tegen een belegering door hun stad te voorzien van zowel eten als drinken. Zo werd Naxos in een verdedigingspositie geplaatst en de Perzen, toen ze vanuit Chios de zee overstaken, ontdekten dat de Naxiërs volledig op hen voorbereid waren. Ze gingen echter voor de plaats zitten en belegerden het vier volle maanden. Toen ten slotte alle voorraden die zij hadden meegebracht uitgeput waren, en Aristagoras eveneens geen geringe som van zijn eigen middelen aan de belegering had uitgegeven, en er nog meer nodig was om succes te verzekeren, gaven de Perzen de poging op en bouwden eerst bepaalde forten, waarin ze de verbannen Naxiërs verlieten, trokken zich terug naar het vasteland, omdat ze volkomen gefaald hadden in hun onderneming.

En nu merkte Aristagoras dat hij helemaal niet in staat was zijn beloften aan Artaphernes na te komen, nee, hij had zelfs moeite om de eisen waartoe hij aansprakelijk was voor de betaling van de troepen na te komen, en tegelijkertijd was zijn angst groot, dat hij, als gevolg van de mislukking van de expeditie en zijn eigen ruzie met Megabates, moet hij uit de regering van Miletus worden gezet. Deze veelvuldige alarmen hadden hem er al toe aangezet om een ​​opstand te beginnen, toen de man met het gemarkeerde hoofd uit Susa kwam en hem instructies van Histiaeus bracht om tegen de koning in opstand te komen. Want Histiaeus kon, toen hij erop uit was om Aristagoras het bevel te geven om in opstand te komen, maar één veilige manier vinden, aangezien de wegen werden bewaakt, om zijn wensen kenbaar te maken, namelijk door de trouwste van zijn slaven te nemen en al het haar van zijn hoofd te scheren. , en dan letters op de huid prikken, en wachten tot het haar weer groeide. Zo deed hij dat en zodra het haar was gegroeid, zond hij de man naar Milete en gaf hem geen andere boodschap dan dit: "Als je naar Milete komt, vraag dan aan Aristagoras dat je je hoofd scheert en kijk ernaar." Nu waren de tekens op het hoofd, zoals ik al zei, een bevel om in opstand te komen. Dit alles deed Histiaeus omdat het hem erg irriteerde om in Susa vastgehouden te worden, en omdat hij sterke hoop had dat, als er problemen zouden uitbreken, hij naar de kust zou worden gestuurd om ze te onderdrukken, terwijl, als Miletus geen beweging maakte, hij dat deed. geen kans zien dat hij daar ooit nog terugkeert.

Dat waren dus de opvattingen die Histiaeus ertoe brachten zijn boodschapper te sturen en het was zo toevallig dat al deze verschillende motieven om in opstand te komen tegelijkertijd op Aristagoras werden toegepast.

Dienovereenkomstig hield Aristagoras op deze conjunctuur een raad van zijn trouwe vrienden en legde hij de zaak voor, en vertelde hen wat hij zelf van plan was en welke boodschap hem door Histiaeus was gestuurd. Op dit concilie waren al zijn vrienden van dezelfde manier van denken, en adviseerden opstand, behalve alleen Hecataeus de historicus. Ten eerste adviseerde hij hen met alle middelen om oorlog te vermijden met de koning van de Perzen, wiens macht hij uitbrak en wiens onderdanen hij opsomde. Omdat hij hen er echter niet toe kon bewegen naar deze raad te luisteren, adviseerde hij vervolgens dat ze alles moesten doen wat in hun macht lag om zich meesters van de zee te maken. "Er was maar één manier," zei hij, "voor zover hij kon zien, om hierin te slagen. Miletus was, wist hij, een zwakke staat - maar als de schatten in de tempel in Branchidae, die Croesus de Lydiër gaf toen het in beslag werd genomen, had hij sterke hoop dat het meesterschap van de zee daardoor zou worden verkregen, het zou hen tenminste geld geven om de oorlog te beginnen en zou voorkomen dat de schatten in handen van de vijand zouden vallen." Nu waren deze schatten van zeer grote waarde, zoals ik in het eerste deel van mijn Geschiedenis heb laten zien. De vergadering verwierp echter de raad van Hecataeus, terwijl ze niettemin tot een opstand besloten. Er werd overeengekomen dat een van hen naar Myus zou varen, waar de vloot had gelegen sinds ze uit Naxos was teruggekeerd, en zou proberen de kapiteins te grijpen die met de schepen daarheen waren gegaan.

Iatragoras werd dienovereenkomstig voor deze boodschap gestuurd, en hij nam met list Oliatus, de zoon van Ibanolis de Mylassian, en Histiaeus, de zoon van Tymnes de Termerean-Coes eveneens, de zoon van Erxander, aan wie Darius Mytilene gaf, en Aristagoras, de zoon van Heraclides. de Cymaean, en ook vele anderen. Zo kwam Aristagoras openlijk in opstand tegen Darius en nu ging hij aan het werk om op alle mogelijke manieren tegen hem samen te zweren. Ten eerste, om de Milesiërs ertoe te bewegen van harte deel te nemen aan de opstand, gaf hij te kennen dat hij zijn eigen heerschappij over Miletus neerlegde en in plaats daarvan een gemenebest stichtte: waarna hij in heel Ionië hetzelfde deed voor van sommige van de steden verdreef hij hun tirannen, en aan anderen, wier welwillendheid hij daarmee hoopte te winnen, gaf hij de hunne over, en gaf zo alle mannen die hij bij de Naxische vloot had gegrepen, over aan de stad waartoe hij behoorde.

Nu hadden de Mytileners Coes nog maar in hun macht gekregen, of ze leidden hem de stad uit en stenigden hem. De Cymaeërs daarentegen lieten hun tiran vrij gaan zoals de meeste anderen deden. En zo hield deze regeringsvorm in alle steden op. Nadat Aristagoras de Milesiër op deze manier de tirannen had verslagen en de steden had gevraagd zelf kapiteins in hun kamer te kiezen, voer hij zelf weg aan boord van een trireem naar Lacedaemon, want hij had grote behoefte aan de hulp van een machtige bondgenoot.

In Sparta was Anaxandridas, de zoon van Leo, niet langer koning: hij was gestorven en zijn zoon Cleomenes was op de troon geklommen, niet vanwege zijn verdienste, maar vanwege zijn geboorte. Anaxandridas nam de dochter van zijn eigen zuster tot vrouw en was teder aan haar gehecht, maar er kwamen geen kinderen uit het huwelijk. Hierop riepen de Ephors hem voor zich en zeiden: "Als u niet om uzelf geeft, kunnen we dit niettemin niet toestaan, noch toestaan ​​dat het ras van Eurysthenes uit ons midden sterft. Kom dan, terwijl uw huidige vrouw u draagt geen kinderen, doe haar weg en trouw met een ander. Dus zult u doen wat de Spartanen goed doet.' Anaxandridas weigerde echter te doen wat ze eisten en zei dat het geen goed advies was dat de Ephors gaven, om hem te bevelen zijn vrouw weg te sturen als ze geen kwaad had gedaan, en een andere voor zichzelf te nemen. Daarom weigerde hij hen te gehoorzamen.

Toen beraadslaagden de Ephors en Elders samen en legden dit voorstel aan de koning voor: "Omdat je zo dol bent op, zoals we je zien, op je huidige vrouw, doe dan wat we nu adviseren, en zeg ons niet tegen, opdat de Spartanen maken een ongewoon besluit over u. We vragen u nu niet om uw vrouw met wie u getrouwd bent weg te doen - geef haar nog steeds dezelfde liefde en eer als altijd - maar neem een ​​andere vrouw naast u, die u kinderen kan baren.'

Toen hij dit aanbod hoorde, gaf Anaxandridas toe - en voortaan woonde hij met twee vrouwen in twee aparte huizen, geheel tegen alle Spartaanse gewoonte in.

In korte tijd baarde de vrouw met wie hij het laatst getrouwd was hem een ​​zoon, die de naam Cleomenes kreeg en zo werd de troonopvolger door haar ter wereld gebracht. Hierna werd ook de eerste vrouw, die in het verleden onvruchtbaar was geweest, door een vreemd toeval verwekt en zwanger geraakt. Toen de vrienden van de tweede vrouw een gerucht over de waarheid hoorden, maakten ze grote opschudding en zeiden dat het een valse opschepperij was, en ze bedoelde, ze waren er zeker van, om als haar eigen een vermoedend kind naar voren te brengen. Dus begonnen ze tegen haar te schreeuwen en daarom gingen de Ephors, die zelf ongelovig waren, om haar bed zitten en hielden de arbeid nauwlettend in de gaten. Op dat moment baarde ze Dorieus en na hem snel Leonidas en na hem weer snel Cleombrotus. Sommigen zeggen zelfs dat Leonidas en Cleombrotus een tweeling waren. Aan de andere kant heeft de tweede vrouw, de moeder van Cleomenes (die een dochter was van Prinetadas, de zoon van Demarmenus), nooit een tweede kind gebaard.

Nu Cleomenes, zo wordt gezegd, had hij het niet bij het rechte eind, hij grensde aan waanzin, terwijl Dorieus al zijn kameraden overtrof en vol vertrouwen ernaar uitzag het koninkrijk op grond van verdienste te ontvangen. Toen daarom, na de dood van Anaxandridas, de Spartanen zich aan de wet hielden en Cleomenes, zijn oudste zoon, koning in zijn kamer maakten, Dorieus, die had gedacht dat hij gekozen zou worden, en die de gedachte niet kon verdragen dat hij een man als Cleomenes om over hem te heersen, vroeg de Spartanen om hem een ​​groep mannen te geven en liet Sparta met hen achter om een ​​kolonie te stichten. Hij nam echter geen raad van het orakel in Delphi over de plaats waarheen hij moest gaan, noch nam hij een van de gebruikelijke gebruiken in acht, maar liet Sparta in de kerker achter en zeilde weg naar Libië, onder leiding van zekere mannen die Theraeërs waren. Deze mannen brachten hem naar Cinyps, waar hij een plek koloniseerde die in heel Libië zijn gelijke niet kent, aan de oevers van een rivier: maar vanaf deze plek werd hij in het derde jaar verdreven door de Maciërs, de Libiërs en de Carthagers. .

Dorieus keerde terug naar de Peloponnesos, waarop Antichares de Eleonian hem de raad gaf (die hij kreeg van het orakel van Laius), om "de stad Heraclea op Sicilië te stichten, het hele land van Eryx behoorde," zei hij, "aan de Heracleiden, aangezien Hercules zelf veroverde het." Na dit advies te hebben ontvangen, ging Dorieus naar Delphi om het orakel te informeren of hij de plaats zou innemen waar hij op het punt stond te gaan. De Pythoness profeteerde dat hij zou doen, waarop Dorieus terugging naar Libië, de mannen meenam die aanvankelijk met hem waren meegevaren, en zijn weg vervolgde langs de kusten van Italië.

Juist op dit moment, zeggen de Sybarieten, stonden zij en hun koning Telys op het punt om oorlog te voeren tegen Crotona, en de Crotoniats, zeer verontrust, smeekten Dorieus om hen te helpen. Dorieus kreeg de overhand, nam deel aan de oorlog tegen Sybaris en had een aandeel in het innemen van de stad. Dat is het verslag dat de Sybarieten geven van wat Dorieus en zijn metgezellen hebben gedaan. De Crotoniats, aan de andere kant, beweren dat geen buitenlander hun hulp heeft verleend in hun oorlog tegen de Sybarieten, behalve Callias de Elean, een waarzegger van het ras van de Iamidae en hij verliet alleen Telys de Sybaritische koning en deserteerde naar hun kant, toen hij bij het offeren ontdekte dat de slachtoffers niet gunstig waren voor een aanval op Crotona. Dat is de verklaring die elke partij van deze zaken aflegt.

Beide partijen leggen eveneens getuigenissen af ​​van de waarheid van wat ze zeggen. De Sybarieten tonen een tempel en een heilig terrein in de buurt van de droge stroom van de Crastis, waarvan ze verklaren dat Dorieus, nadat ze hun stad hadden ingenomen, toegewijd was aan Minerva Crastias. En verder brengen ze de dood van Dorieus naar voren als het zekerste bewijs sinds hij viel, zeggen ze, omdat hij het orakel niet gehoorzaamde. Want als hij in niets had afgeweken van de hem gegeven instructies, maar zich had beperkt tot de zaken waarvoor hij was gestuurd, zou hij zeker het Erycische gebied hebben veroverd en in bezit hebben gehouden, in plaats van met al zijn volgelingen om te komen. De Crotoniats daarentegen wijzen op de talrijke volkstuinen binnen hun grenzen die door hun landgenoten aan Callias de Eleër waren toegewezen en die tot op mijn dag in het bezit van zijn familie bleven terwijl Dorieus en zijn nakomelingen (merkten ze) niets bezitten . Maar als Dorieus hen echt had geholpen in de Sybaritische oorlog, zou hij veel meer hebben gekregen dan Callias. Dat zijn de getuigenissen die aan weerszijden worden aangevoerd. Het staat iedereen vrij om de opvatting die hij het beste acht, aan te nemen.

Bepaalde Spartanen vergezelden Dorieus op zijn reis als medestichters, namelijk Thessalus, Paraebates, Celeas en Euryleon. Deze mannen en alle troepen onder hun bevel bereikten Sicilië, maar daar vielen ze in een veldslag waarin ze werden verslagen door de Egestaeërs en Feniciërs. Slechts één, Euryleon, overleefde de ramp. Hij verzamelde toen de overblijfselen van het verslagen leger, maakte zichzelf meester van Minoa, de Selinusische kolonie, en hielp de Selinusiërs om het juk van hun tiran Peithagoras af te werpen. Nadat hij Peithagoras van streek had gemaakt, probeerde hij tiran te worden in zijn kamer, en hij regeerde zelfs een korte tijd te Selinus - maar na een tijdje kwamen de Selinusianen in opstand tegen hem, en hoewel hij vluchtte naar het altaar van Jupiter Agoraeus, ondanks hem ter dood brengen.

Een andere man die Dorieus vergezelde en met hem stierf, was Philip, de zoon van Butacidas, een man uit Crotona die, nadat hij verloofd was geweest met een dochter van Telys de Sybarite, uit Crotona werd verbannen, waarop zijn huwelijk op niets uitliep en hij in zijn teleurstelling nam hij het schip en zeilde naar Cyrene. Vanaf dat moment werd hij een volgeling van Dorieus en leverde hij aan de vloot een eigen trireem, waarvan hij de bemanning op eigen kosten ondersteunde. Deze Philip was een Olympische overwinnaar en de knapste Griek van zijn tijd. Zijn schoonheid bezorgde hem eer door toedoen van de Egestaeërs die ze nooit aan iemand anders hebben toegekend, want ze hieven een heldentempel op boven zijn graf, en ze aanbidden hem nog steeds met offers.

Dat was toen het einde van Dorieus, die als hij de heerschappij van Cleomenes had gedoogd en in Sparta was gebleven, koning van Lacedaemon zou zijn geweest, aangezien Cleomenes, na niet lang geregeerd te hebben, stierf zonder mannelijk nageslacht, en hem een ​​enige dochter, met de naam Gorgo.

Cleomenes was echter nog steeds koning toen Aristagoras, de tiran van Miletus, Sparta bereikte. Tijdens hun onderhoud produceerde Aristagoras, volgens het verslag van de Lacedaemoniërs, een bronzen tablet, waarop het hele circuit van de aarde was gegraveerd, met al haar zeeën en rivieren. Het gesprek begon tussen de twee en Aristagoras sprak de Spartaanse koning toe met de volgende woorden: "Denk het niet vreemd, o koning Cleomenes, dat ik de moeite heb genomen om hierheen te zeilen voor de stand van zaken, die ik u nu zal vertellen , maakte het passend. Schaamte en verdriet is het inderdaad voor niemand zo veel als voor ons, dat de zonen van de Ioniërs hun vrijheid hebben verloren en de slaven van anderen zijn geworden, maar toch raakt het jullie ook, o Spartanen, daarbuiten de rest van de Grieken, voor zover de superioriteit over heel Griekenland u toekomt. Wij smeken u daarom, bij de gewone goden van de Grieken, de Ioniërs, die uw eigen verwanten zijn, uit de slavernij te verlossen. Waarlijk de taak is niet moeilijk voor de barbaren zijn een onoorlogszuchtig volk en jullie zijn de beste en dapperste krijgers in de hele wereld. Hun manier van vechten is de volgende: - ze gebruiken pijl en boog en een korte speer ze dragen een broek in het veld en bedekken hun hoofden met tulbanden. Zo gemakkelijk zijn ze te vanq oei! Weet ook dat de bewoners in deze streken meer goede dingen hebben dan de rest van de wereld bij elkaar - goud en zilver en koper en geborduurde kleding, lastdieren en dienstknechten - dat alles, als je maar wilt het, u kunt het binnenkort voor uzelf hebben. De naties grenzen aan elkaar, in de volgorde die ik nu zal uitleggen. Naast deze Ioniërs" (hier wees hij met zijn vinger naar de kaart van de wereld die gegraveerd was op de tafel die hij had meegebracht) "wonen deze Lydiërs hun grond vruchtbaar, en weinig mensen zijn zo rijk aan zilver. Naast hen,' vervolgde hij, 'komen deze Phrygiërs, die meer kudden en kudden hebben dan enig ras dat ik ken, en meer overvloedige oogsten. Aan hen grenzen de Cappadociërs, die wij Grieken kennen onder de naam Syriërs: ze zijn buren van de Ciliciërs, die zich helemaal uitstrekken tot aan deze zee, waar Cyprus (het eiland dat je hier ziet) ligt. De Ciliciërs betalen de koning een jaarlijkse schatting van vijfhonderd talenten. Naast hen komen de Armeniërs, die hier wonen - ook zij hebben talrijke kudden en kuddes. Na hen komen de Matieni, die dit land bewonen dan Cissia, deze provincie, waar je de rivier Choaspes gemarkeerd ziet, en ook de stad Susa aan haar oevers, waar de Grote Koning zijn hof houdt, en waar de schatkamers zijn waarin zijn rijkdom is opgeslagen. Ooit meesters van deze stad, durf je misschien met Zeus zelf te wedijveren om rijkdom. In de oorlogen die u voert met uw rivalen van Messenië, ook met hen van Argos en van Arcadië, over schamele grenzen en stroken land die niet zo opmerkelijk goed zijn, strijdt u met degenen die geen goud of zelfs zilver hebben, die mensen vaak hart om te vechten en te sterven. Moet je zulke oorlogen voeren, en als je zo gemakkelijk heren van Azië zou kunnen zijn, zou je dan anders beslissen?" Zo spraken Aristagoras en Cleomenes antwoordden hem: "Milesische vreemdeling, over drie dagen zal ik je een antwoord geven."

Dus toen kwamen ze niet verder.Toen echter de dag voor het antwoord aanbrak en de twee elkaar weer ontmoetten, vroeg Cleomenes aan Aristagoras: 'hoeveel reisdagen waren het van de zee van de Ioniërs naar de residentie van de koning?' Hierop struikelde Aristagoras, die de rest zo slim had beheerd en erin was geslaagd de koning te misleiden, in zijn spraak en blunderde, want in plaats van de waarheid te verbergen, zoals hij had moeten doen als hij de Spartanen ertoe had willen bewegen naar Azië over te steken, zei duidelijk dat het een reis van drie maanden was. Cleomenes begreep de woorden, en, Aristagoras ervan weerhoudend af te maken wat hij was begonnen te zeggen over de weg, sprak hij hem als volgt aan: "Milesische vreemdeling, verlaat Sparta voor zonsondergang. Dit is geen goed voorstel dat u aan de Lacedaemoniërs doet, om hen een afstand van drie maanden reizen van de zee." Toen hij aldus had gesproken, ging Cleomenes naar zijn huis.

Maar Aristagoras nam een ​​olijftak in zijn hand en haastte zich naar het huis van de koning, waar hij werd binnengelaten vanwege de smekende gedaante van zijn smekeling. Gorgo, de dochter van Cleomenes, en zijn enige kind, een meisje van ongeveer acht of negen jaar oud, stonden daar toevallig naast haar vader. Toen Aristagoras haar zag, verzocht hij Cleomenes haar de kamer uit te sturen voordat hij met hem begon te praten, maar Cleomenes zei hem verder te gaan en niet op het kind te letten. Dus begon Aristagoras met een belofte van tien talenten als de koning hem zijn verzoek zou inwilligen, en toen Cleomenes zijn hoofd schudde, bleef hij zijn aanbod verhogen totdat het vijftig talenten had bereikt, waarop het kind sprak: "Vader," zei ze, "haal sta op en ga, of de vreemdeling zal u stellig verderven." Toen trok Cleomenes, verheugd over de waarschuwing van zijn kind, zich terug en ging naar een andere kamer. Aristagoras verliet Sparta voorgoed, omdat hij niet meer kon praten over de weg die naar de koning leidde.

Het ware relaas van de weg in kwestie is het volgende: Koninklijke stations bestaan ​​over de hele lengte, en uitstekende karavanserais en overal, het doorkruist een bewoond gebied en is vrij van gevaar. In Lydia en Phrygië zijn twintig stations binnen een afstand van 94 1/2 parasangs. Bij het verlaten van Phrygië moet de Halys worden overgestoken en hier zijn poorten waar je doorheen moet voordat je de stroom kunt oversteken. Een sterke kracht bewaakt deze post. Wanneer u de doorgang hebt gemaakt en in Cappadocië bent aangekomen, brengen 28 stations en 104 parasangs u naar de grens van Cilicië, waar de weg door twee sets poorten gaat, bij elk waarvan een bewaker is geplaatst. Als je deze achter je laat, ga je verder door Cilicia, waar je drie stations vindt op een afstand van 15 1/2 parasangs. De grens tussen Cilicië en Armenië is de rivier de Eufraat, die met boten moet worden overgestoken. In Armenië zijn de rustplaatsen 15 in getal, en de afstand is 56 1/2 parasangs. Er is één plek waar een bewaker is geplaatst. Vier grote stromen doorkruisen deze wijk, die allemaal met boten moeten worden overgestoken. De eerste hiervan is de Tigris, de tweede en de derde hebben beide dezelfde naam, hoewel het niet alleen verschillende rivieren zijn, maar zelfs niet vanuit dezelfde plaats stromen. Want degene die ik de eerste van de twee heb genoemd, vindt zijn oorsprong in Armenië, terwijl de andere later het land van de Matieniërs verlaat. De vierde van de stromen wordt de Gyndes genoemd, en dit is de rivier die Cyrus verstrooide door er driehonderdzestig kanalen voor te graven. Als je Armenië verlaat en het Matieniaanse land binnengaat, heb je vier stations die je passeert en je bevindt je in Cissia, waar elf stations en 42 1/2 parasangs je naar een andere bevaarbare stroom brengen, de Choaspes, aan de oevers waarvan de stad Susa is gebouwd . Zo wordt het totale aantal stations verhoogd tot honderd en elf en zo veel zijn in feite de rustplaatsen die men vindt tussen Sardis en Susa.

Als dan de koninklijke weg goed wordt gemeten en de parasang gelijk is aan dertig stadiën, zou de hele afstand van Sardis tot het paleis van Memnon (zoals het wordt genoemd), dus 450 parasang bedragen, 13.500 stadiën zijn. Als je dan reist met een snelheid van 150 stadiën per dag, heb je precies negentig dagen nodig om de reis uit te voeren.

Dus toen Aristagoras de Milesiër Cleomenes de Lacedaemoniër vertelde dat het een reis van drie maanden was van de zee naar de koning, zei hij niet meer dan de waarheid. De exacte afstand (als iemand nog meer nauwkeurigheid wenst) is iets meer want de reis van Efeze naar Sardis moet worden toegevoegd aan het voorgaande en dit zal de hele afstand tussen de Griekse Zee en Susa (of de stad Memnon, zoals het wordt genoemd) 14.040 stadiën aangezien Efeze ver verwijderd is van Sardis 540 stadiën. Dit zou drie dagen toevoegen aan de reis van drie maanden.

Toen Aristagoras Sparta verliet, haastte hij zich naar Athene, dat zijn tirannen had verlaten op de manier die ik nu zal beschrijven. Na de dood van Hipparchus (de zoon van Pisistratus en broer van de tiran Hippias), die, ondanks de duidelijke waarschuwing die hij in een droom over zijn lot had ontvangen, werd gedood door Harmodius en Aristogeiton (mannen beiden van het ras van de Gephyraeërs), duurde de onderdrukking van de Atheners vier jaar voort en ze wonnen niets, maar werden slechter gebruikt dan voorheen.

Nu was de droom van Hipparchus de volgende: - De nacht voor het Panatheense feest dacht hij dat hij in zijn slaap een lange en mooie man zag, die over hem heen stond en hem het volgende raadsel voorlas: -

Draag ondraaglijke weeën met het dragende hart van een leeuw
Wees er zeker van dat een kwaaddoener nooit zal ontsnappen aan de beloning van kwaaddoen. Zodra de dag aanbrak, zond hij zijn droom en onderwierp deze aan de tolken, waarna hij de afwendende offers bracht, en ging toen de processie leiden waarin hij omkwam.

De familie van de Gephyraeërs, waartoe de moordenaars van Hipparchus naar eigen zeggen behoorden, kwam oorspronkelijk uit Eretria. Mijn navraag heeft me echter duidelijk gemaakt dat het in werkelijkheid Feniciërs zijn, afstammelingen van degenen die met Cadmus naar het land kwamen dat nu Boeotië heet. Hier ontvingen zij voor hun deel het district Tanagra, waarin zij daarna woonden. Na hun verdrijving uit dit land door de Boeotiërs (wat enige tijd na die van de Cadmeiërs uit dezelfde streken door de Argiven gebeurde) zochten ze hun toevlucht in Athene. De Atheners ontvingen hen onder hun burgers onder bepaalde voorwaarden, waarbij ze werden uitgesloten van een aantal niet noemenswaardige voorrechten.

Nu introduceerden de Feniciërs die met Cadmus meekwamen en aan wie de Gephyraei toebehoorden, bij hun aankomst een grote verscheidenheid aan kunsten in Griekenland, waaronder die van het schrijven, waarvan de Grieken tot dan toe, naar ik meen, onwetend waren geweest. En oorspronkelijk vormden ze hun letters precies zoals alle andere Feniciërs, maar daarna, in de loop van de tijd, veranderden ze geleidelijk hun taal, en daarmee ook de vorm van hun karakters. De Grieken die in die tijd in die streken woonden, waren voornamelijk de Ioniërs. De Fenicische letters werden dienovereenkomstig door hen overgenomen, maar met enige variatie in de vorm van een paar, en zo kwamen ze tot het huidige gebruik, nog steeds noemden ze de letters Fenicisch, zoals rechtvaardigheid vereist, naar de naam van degenen die de eersten waren die introduceerden ze naar Griekenland. Papierrollen werden door de Ioniërs ook naar oude "perkamenten" genoemd, omdat ze vroeger, toen papier schaars was, in plaats daarvan de huiden van schapen en geiten gebruikten - waarop veel barbaren zelfs nu nog schrijven.

Zelf zag ik Cadmeïsche karakters gegraveerd op enkele statieven in de tempel van Apollo Ismenias in het Boeotische Thebe, de meeste in de vorm van de Ionische. Een van de statieven heeft het volgende opschrift: -

Ik heb Amphitryon geplaatst, van de verre Teleboans die eraan komen.

Dit zou ongeveer de leeftijd zijn van Laius, de zoon van Labdacus, de zoon van Polydorus, de zoon van Cadmus.

Een ander van de statieven heeft deze legende in de hexametermaat: -

Ik aan de verschietende Phoebus werd aangeboden door Scaeus de bokser,
Toen hij de spelen had gewonnen, een wonderbaarlijk mooi offer. Dit zou Scaeus kunnen zijn, de zoon van Hippocoon en de driepoot, als hij door hem werd opgedragen, en niet door een ander met dezelfde naam, zou tot de tijd van Oedipus, de zoon van Laius, behoren.

Het derde statief heeft ook een inscriptie in hexameters, die als volgt luidt: -

Koning Laodamas gaf dit statief aan de vooruitziende Phoebus,
Toen hij op de troon zat, een wonderbaarlijk mooi offer. Het was tijdens de regering van deze Laodamas, de zoon van Eteocles, dat de Cadmeeërs door de Argiven uit hun land werden verdreven en een schuilplaats vonden bij de Encheleeërs. De Gephyraeërs bleven in die tijd in het land, maar daarna trokken ze zich terug voor de Boeotiërs en zochten hun toevlucht in Athene, waar ze een aantal tempels hebben voor hun eigen gebruik, die de andere Atheners niet mogen betreden onder de rest, een van Achaean Ceres, ter ere van wie ze ook speciale orgieën vieren.

Na aldus de droom te hebben verteld die Hipparchus zag, en de afstamming van de Gephyraeërs, de familie waartoe zijn moordenaars behoorden, had getraceerd, moet ik verder gaan met de kwestie waarover ik eerder wilde spreken, de manier waarop de Atheners van hun tirannen. Na de dood van Hipparchus, werd Hippias, die koning was, hard tegen de Atheners en de Alcaeonidae, een Atheense familie die door de Pisistratidae was verbannen, sloot zich aan bij de andere ballingen en trachtte hun eigen terugkeer te bewerkstelligen en Athene te bevrijden, met geweld. Ze veroverden en versterkten Leipsydrium boven Paeonia en probeerden hun doel met wapens te veroveren, maar grote rampen overkwamen hen en hun doel bleef onvoltooid. Ze besloten daarom terug te deinzen voor geen enkel trucje dat hen succes zou kunnen brengen en dienovereenkomstig sloten ze een contract met de Amphityons om de tempel te bouwen die nu in Delphi staat, maar die in die dagen niet bestond. Nadat ze dit hadden gedaan, gingen ze, als mannen van grote rijkdom en leden van een oude en vooraanstaande familie, door met het bouwen van de tempel, veel mooier dan het plan hen verplichtte. Naast andere verbeteringen, maakten ze in plaats van de ruwe steen waarvan de tempel volgens het contract zou zijn gebouwd, de bekleding van Pariaans marmer.

Deze zelfde mannen, als we de Atheners mogen geloven, hebben tijdens hun verblijf in Delphi de Pythoness overgehaald door middel van steekpenningen om de Spartanen te vertellen wanneer een van hen het orakel kwam raadplegen, hetzij voor hun eigen privéaangelegenheden of voor de zaken van de staat , dat ze Athene moeten bevrijden. Dus de Lacedaemoniërs, toen ze geen antwoord vonden, keerden ooit naar hen terug, maar dit, stuurden eindelijk Anchimolius, de zoon van Aster - een man van aanzien onder hun burgers - aan het hoofd van een leger tegen Athene, met de opdracht om de Pisistratidae te verdrijven , hoewel ze door de nauwste vriendschapsbanden met hen verbonden waren. Want zij achtten de dingen van de hemel hoger dan de dingen van de mensen. De troepen gingen over zee en werden vervoerd in transporten. Anchimolius bracht hen naar een ankerplaats in Phalerum en daar gingen de mannen van boord. Maar de Pisistratidae, die vooraf op de hoogte waren van hun bedoelingen, hadden naar Thessalië gestuurd, tussen welk land en Athene een alliantie bestond, met een verzoek om hulp. De Thessaliërs stuurden hen in antwoord op hun smeekbeden met een openbare stemming 1000 ruiters, onder het bevel van hun koning, Cineas, die een Coniaeër was. Toen deze hulp kwam, maakten de Pisistratidae hun plan dienovereenkomstig: ze ontruimden de hele vlakte rond Phalerum om het geschikt te maken voor de bewegingen van de cavalerie, en bestormden vervolgens het vijandelijke kamp met hun paard, dat met zo'n woede op de Lacedaemoniërs viel als om aantallen te doden, waaronder de rest Anchimolius, de generaal, en de rest naar hun schepen te drijven. Dat was het lot van het eerste leger dat vanuit Lacedaemon werd gestuurd, en het graf van Anchimolius kan tot op de dag van vandaag in Attica worden gezien, het is in Alopecae (Foxtown), vlakbij de tempel van Hercules in Cynosargos.

Daarna zonden de Lacedaemoniërs een grotere troepenmacht tegen Athene, die ze onder het bevel van Cleomenes, de zoon van Anaxandridas, een van hun koningen, stelden. Deze troepen werden niet over zee gestuurd, maar marcheerden door het vasteland. Toen ze Attica binnenkwamen, was hun eerste ontmoeting met het Thessalische paard, dat ze spoedig op de vlucht sloegen, waarbij ze meer dan veertig man doodden, de rest maakte hun ontsnapping goed en vluchtte rechtstreeks naar Thessalië. Cleomenes ging naar de stad en belegerde met de hulp van de Atheners die vrijheid wilden, de tirannen, die zich hadden opgesloten in het Pelasgische fort.

En nu was er een kleine kans geweest dat de Pisistratidae in handen zouden vallen van de Spartanen, die niet eens van plan waren te gaan zitten voor de plaats, die bovendien van tevoren goed was voorzien van zowel vlees- als drankvoorraden, nee, het is waarschijnlijk zouden de Lacedaemoniërs na een blokkade van een paar dagen Attica helemaal hebben verlaten en naar Sparta zijn teruggegaan, als er geen gebeurtenis had plaatsgevonden die zeer ongelukkig was voor de belegerden en zeer voordelig voor de belegeraars. De kinderen van de Pisistratidae werden gevangen genomen, omdat ze het land uit werden gezet. Door deze ramp werden al hun plannen in de war gestuurd, en als losgeld voor hun kinderen stemden ze in met de eisen van de Atheners en stemden er binnen vijf dagen mee in Attica te verlaten. Dienovereenkomstig verlieten zij spoedig daarna het land en trokken zich terug naar Sigeum aan de Scamander, na zesendertig jaar over de Atheners geregeerd te hebben. Door afstamming waren het Pyliërs, van de familie van de Neleids, waartoe ook Codrus en Melanthus behoorden, mannen die vroeger van buitenlandse kolonisten koningen van Athene werden. En zo kwam het dat Hippocrates op het idee kwam zijn zoon Pisistratus te noemen: hij noemde hem naar de Pisistratus die een zoon was van Nestor. Dat was toen de manier waarop de Atheners van hun tirannen afkwamen. Wat ze deden en hebben geleden, is opmerkelijk vanaf het moment dat ze hun vrijheid kregen tot de opstand van Ionië van koning Darius, en de komst van Aristagoras naar Athene met het verzoek dat de Atheners de Ioniërs zouden helpen, ik zal nu overgaan tot het vertellen van .

De macht van Athene was vroeger groot geweest, maar nu de tirannen weg waren, werd ze groter dan ooit. De belangrijkste autoriteit was ondergebracht bij twee personen, Clisthenes, uit de familie van de Alcmaeoniden, van wie wordt gezegd dat hij de overtuiger was van de Pythoness, en Isagoras, de zoon van Tisander, die tot een adellijk huis behoorde, maar wiens stamboom ik ben. niet verder kunnen traceren. Maar zijn verwanten brengen een offer aan de Carische Jupiter. Deze twee mannen streefden samen naar de heerschappij en Clisthenes, die zichzelf de zwakkere vond, riep het gewone volk te hulp. Hierop maakte Clisthenes, in plaats van de vier stammen waaronder de Atheners tot dusver waren verdeeld, tien stammen en verdeelde de Atheners onder hen. Hij veranderde eveneens de namen van de stammen, want terwijl ze tot nu toe naar Geleon, Aegicores, Argades en Hoples waren genoemd, de vier zonen van Ion, zette Clisthenes deze namen opzij en noemde zijn stammen naar bepaalde andere helden, die allemaal waren inheems, behalve Ajax. Ajax werd geassocieerd omdat hij, hoewel een buitenlander, een buurman en bondgenoot van Athene was.

Ik geloof dat hij door zo te handelen slechts zijn grootvader van moederszijde, Clisthenes, koning van Sicyon, imiteerde. Deze koning maakte, toen hij in oorlog was met Argos, een einde aan de wedstrijden van de rapsodisten in Sicyon, omdat in de Homerische gedichten Argos en de Argiven zo constant het thema van het lied waren. Hij vatte ook de wens op om Adrastus, de zoon van Talaus, uit zijn land te verdrijven, aangezien hij een Argivische held was. Want Adrastus had een heiligdom in Sicyon, dat nog op de marktplaats van de stad staat. Clisthenes ging daarom naar Delphi en vroeg het orakel of hij Adrastus mocht verdrijven. Hierop zou de Pythoness hebben geantwoord: 'Adrastus is de koning van de Sicyoniërs, maar u bent slechts een rover.' Dus toen de god zijn verzoek niet inwilligde, ging hij naar huis en begon na te denken hoe hij Adrastus uit eigen beweging zou kunnen laten terugtrekken. Na een tijdje kwam hij op een plan waarvan hij dacht dat het zou slagen. Hij zond gezanten naar Thebe in Boeotië en deelde de Thebanen mee dat hij Melanippus, de zoon van Astacus, naar Sicyon wilde brengen. De Thebanen stemden ermee in, Clisthenes droeg Melanippus met zich mee, wees hem een ​​gebied binnen het regeringsgebouw toe en bouwde daar een heiligdom voor hem in het veiligste en sterkste deel. De reden waarom hij dit deed (wat ik niet mag nalaten te vermelden) was dat Melanippus de grote vijand van Adrastus was, die zowel zijn broer Mecistes als zijn schoonzoon Tydeus had gedood. Nadat Clisthenes het gebied aan Melanippus had toegewezen, nam hij van Adrastus de offers en feesten waarmee hij tot dan toe was geëerd, weg en droeg ze over aan zijn tegenstander. Tot nu toe hadden de Sicyoniërs Adrastus buitengewoon eer bewezen, omdat het land aan Polybus had toebehoord, en Adrastus was de zoon van de dochter van Polybus, vandaar dat Polybus, kinderloos stervende, Adrastus zijn koninkrijk verliet. Naast andere ceremoniën was het hun gewoonte geweest om Adrastus te eren met tragische refreinen, die ze vanwege zijn rampspoed aan hem hadden toegewezen in plaats van aan Bacchus. Clisthenes gaf nu de koren aan Bacchus en droeg de rest van de heilige riten over aan Melanippus.

Dat waren zijn handelingen in de zaak Adrastus. Met betrekking tot de Dorische stammen, niet kiezend voor de Sicyoniërs om dezelfde stammen te hebben als de Argiven, veranderde hij alle oude namen voor nieuwe en hier maakte hij van de speciale gelegenheid gebruik om de Sicyoniërs te bespotten, want hij ontleende zijn nieuwe namen aan de woorden " varken' en 'ezel', daarbij de gebruikelijke stam-eindes toevoegend, alleen in het geval van zijn eigen stam, deed hij niets van dien aard, maar gaf ze een naam die ontleend was aan zijn eigen koninklijke ambt. Want hij noemde zijn eigen stam de Archelai of Heersers, terwijl de anderen Hyatae of Varkensvolk, Oneatae of Assfolk en Choereatae of Varkensvolk noemde. De Sicyoniërs behielden deze namen, niet alleen tijdens het bewind van Clisthenes, maar zelfs na zijn dood, zestig jaar lang: toen beraadslaagden ze echter samen en veranderden ze in de bekende namen van Hyllaeans, Pamphylians en Dymanatae, die tegelijkertijd als vierde naam de titel van Aegialeans aannam, van Aegialeus, de zoon van Adrastus.

Zo had Clisthenes de Sicyoniër gedaan. De Atheense Clisthenes, die kleinzoon was van de moeders kant van de ander, en naar hem was genoemd, besloot, uit minachting (naar ik meen) van de Ioniërs, dat zijn stammen niet dezelfde zouden zijn als die van hen en volgden dus het patroon plaatste hem bij zijn naamgenoot van Sicyon. Nadat hij het gewone volk van Athene, dat hij eerder had veracht, volledig aan zijn kant had gebracht, gaf hij alle stammen nieuwe namen, en maakte het aantal groter dan voorheen in plaats van de vier phylarchen die hij tien had opgericht, plaatste hij eveneens tien demes in elk van de stammen en hij was, nu het gewone volk zijn deel nam, veel machtiger dan zijn tegenstanders.

Isagoras verloor op zijn beurt terrein en daarom riep hij, om zijn vijand tegen te werken, Cleomenes de Lacedaemoniër in, die al, op het moment dat hij de Pisistratidae belegerde, een vriendschapscontract met hem had gesloten. Er wordt zelfs een aanklacht ingediend tegen Cleomenes dat hij te veel vertrouwd was met de vrouw van Isagoras. Op dat moment was het eerste wat hij deed, een heraut sturen en eisen dat Clisthenes en een groot aantal Atheners, die hij de "Vervloekte" noemde, Athene zouden verlaten. Deze boodschap zond hij op voorstel van Isagoras: want in de zaak waarnaar verwezen wordt, lag de bloedschuld op de Alcmaeonidae en hun aanhangers, terwijl hij en zijn vrienden er volkomen vrij van waren.

De manier waarop "De Vervloekten" in Athene hun naam kregen, was de volgende. Er was een zekere Athener, Cylon genaamd, een overwinnaar van de Olympische Spelen, die naar de soevereiniteit streefde, en geholpen door een aantal van zijn metgezellen, die van dezelfde leeftijd waren als hij, een poging deed om de citadel te veroveren. Maar de aanval mislukte en Cylon werd een smekeling bij het beeld. Hierop brachten de hoofden van de zeelieden, die in die tijd in Athene regeerden, de voortvluchtigen ertoe zich te verwijderen door een belofte om hun leven te sparen. Toch werden ze allemaal gedood en werd de schuld bij de Alcmaeonidae gelegd. Dit alles gebeurde vóór de tijd van Pisistratus.

Toen de boodschap van Cleomenes arriveerde, waarin Clisthenes en "The Accursed" de stad moesten verlaten, vertrok Clisthenes uit eigen beweging. Cleomenes kwam echter, ondanks zijn vertrek, naar Athene met een kleine groep volgelingen en stuurde bij zijn aankomst zevenhonderd Atheense families in ballingschap, die hem door Isagoras waren gewezen. Hier slaagde hij, vervolgens trachtte hij de raad te ontbinden en de regering in handen te geven van driehonderd aanhangers van die leider. Maar de raad verzette zich en weigerde zijn bevelen op te volgen, waarop Cleomenes, Isagoras en hun volgelingen de citadel in bezit namen. Hier werden ze aangevallen door de rest van de Atheners, die de kant van de raad kozen, en werden ze twee dagen lang belegerd: op de derde dag accepteerden ze voorwaarden, waarbij ze - tenminste degenen die Lacedaemoniërs waren - toestemming kregen om het land verlaten. En zo kreeg het woord dat tot Cleomenes kwam, zijn vervulling. Want toen hij voor het eerst de citadel binnenging, met de bedoeling die te grijpen, net toen hij het heiligdom van de godin binnenging, om haar te ondervragen, stond de priesteres van haar troon op, voordat hij de deuren was gepasseerd, en zei: " Vreemdeling van Lacedaemon, vertrek van hier en waag het niet de heilige plaats te betreden - het is niet geoorloofd voor een Dorian om daar een voet te zetten." Maar hij antwoordde: "O! vrouw, ik ben geen Dorische, maar een Achaeër." Cleomenes negeerde deze waarschuwing en deed zijn poging, en dus werd hij gedwongen zich terug te trekken, samen met zijn Lacedaemoniërs. De rest werd door de Atheners in de gevangenis geworpen en ter dood veroordeeld - onder hen Timasitheus de Delphiër, van wiens bekwaamheid en moed ik grote dingen heb die ik kon vertellen.

Dus deze mannen stierven in de gevangenis. De Atheners herinnerden zich direct daarna Clisthenes en de zevenhonderd families die Cleomenes had verdreven en verder zonden ze gezanten naar Sardis om een ​​verbond te sluiten met de Perzen, want ze wisten dat er oorlog zou volgen met Cleomenes en de Lacedaemoniërs. Toen de ambassadeurs Sardis bereikten en hun boodschap brachten, vroeg Artaphernes, de zoon van Hystaspes, die destijds gouverneur van de plaats was, hun "wie ze waren en in welk deel van de wereld ze woonden, dat ze bondgenoten wilden worden van de Perzen?" De boodschappers vertelden hem waarop hij hen kort antwoordde: "Als de Atheners ervoor kozen aarde en water aan koning Darius te geven, hij een verbond met hen zou sluiten, maar zo niet, dan zouden ze misschien weer naar huis gaan." Na overleg met elkaar aanvaardden de gezanten, die het bondgenootschap wilden sluiten, de voorwaarden, maar bij hun terugkeer naar Athene vielen ze in diepe ongenade vanwege hun gehoorzaamheid.

Ondertussen trok Cleomenes, die zich door de Atheners zowel in woord als in daad beledigd achtte, een leger bijeen uit alle delen van de Peloponnesos, zonder iemand op de hoogte te stellen van zijn doel om zich op de Atheners te wreken, en Isagoras, die met hem uit de citadel was ontsnapt, als despoot van Athene. Dienovereenkomstig viel hij met een groot leger het district Eleusis binnen, terwijl de Boeotiërs, die samen met hem maatregelen hadden genomen, Oenoe en Hysiae, twee plattelandssteden aan de grens, innamen en tegelijkertijd de Chalcidiërs aan de andere kant duikers plunderden. plaatsen in Attica. De Atheners stelden, niettegenstaande het gevaar dat hen van alle kanten dreigde, alle gedachten aan de Boeotiërs en Chalciden uit tot een toekomstige tijd en trokken op tegen de Peloponnesiërs, die in Eleusis waren.

Toen de twee legers op het punt stonden de strijd aan te gaan, veranderden eerst en vooral de Korinthiërs, die zich realiseerden dat ze een fout begaan, van gedachten en trokken zich terug uit het hoofdleger. Toen volgde Demaratus, zoon van Ariston, die zelf koning van Sparta was en mede-leider van de expeditie, en die tot nu toe geen enkele ruzie met Cleomenes had gehad, hun voorbeeld. Wegens deze breuk tussen de koningen werd in Sparta een wet uitgevaardigd die beide vorsten verbood samen met het leger uit te gaan, zoals tot nu toe gebruikelijk was. De wet bepaalde ook dat, daar een van de koningen zou worden achtergelaten, een van de Tyndaridae ook thuis moest blijven, terwijl ze tot dusver beide de expedities hadden vergezeld, als hulptroepen. Dus toen de rest van de geallieerden zagen dat de Lacedaemonische koningen niet eensgezind waren, en dat de Korinthische troepen hun post hadden verlaten, trokken ze eveneens op en vertrokken.

Dit was de vierde keer dat de Doriërs Attica waren binnengevallen: twee keer kwamen ze als vijanden en twee keer kwamen ze om het Atheense volk goede diensten te bewijzen. Hun eerste invasie vond plaats in de periode dat ze Megara stichtten, en is terecht onder het bewind van Codrus in Athene geplaatst. De tweede en derde keer was toen ze uit Sparta kwamen om de Pisistratidae te verdrijven. De vierde was de huidige aanval, toen Cleomenes, aan het hoofd van een Peloponnesisch leger, dat Eleusis binnentrok. Zo waren de Doriërs nu vier keer Attica binnengevallen.

Dus toen het Spartaanse leger zo roemloos uit zijn kwartieren was gebroken, marcheerden de Atheners, die zich wilden wreken, eerst tegen de Chalciden. De Boeotiërs rukten echter op om laatstgenoemden te helpen tot aan de Euripus, en de Atheners dachten dat het het beste was hen eerst aan te vallen. Dienovereenkomstig werd een slag geleverd en de Atheners behaalden een zeer volledige overwinning, waarbij ze een groot aantal vijanden doodden en zevenhonderd van hen levend namen. Hierna, op dezelfde dag, staken ze Euboea binnen en grepen de Chalcidiërs aan met hetzelfde succes, waarop ze vierduizend kolonisten achterlieten op het land van de Hippobotae, wat de naam is die de Chalcidiërs aan hun rijke mannen geven. Alle Chalcidische gevangenen die ze namen, werden in de boeien geslagen en lange tijd in hechtenis gehouden, net als de Boeotiërs, totdat het losgeld dat voor hen werd gevraagd was betaald en dit werd door de Atheners op twee minae van de man vastgesteld. De kettingen waarmee ze waren geboeid hingen de Atheners op in hun citadel waar ze in mijn tijd nog te zien waren, hangend tegen de muur, verschroeid door de Mediaan-vlammen, tegenover de kapel die op het westen uitkijkt. De Atheners brachten een offer van het tiende deel van het losgeld en gaven het uit aan de koperen wagen getrokken door vier paarden, die aan de linkerhand staat zodra men de poort van de citadel binnengaat. De inscriptie gaat als volgt: -

Toen Chalcis en Boeotië haar macht waagden,
Athene bedwong hun trots in een dappere strijd
Gaf obligaties voor beledigingen en, het losgeld betaald,
Van de volle tienden werden deze rossen voor Pallas gemaakt.

Zo namen de Atheners in kracht toe. En het is duidelijk genoeg, niet alleen uit dit voorbeeld, maar uit velen overal, dat vrijheid een uitstekende zaak is, aangezien zelfs de Atheners, die, terwijl ze onder de heerschappij van tirannen bleven, geen greintje dapperder waren dan hun buren , zodra ze het juk van zich afschudden, werden ze beslist de eerste van allemaal. Deze dingen laten zien dat ze zich, terwijl ze onderdrukt werden, lieten slaan, sindsdien werkten ze voor een meester, maar zodra ze hun vrijheid kregen, wilde elke man het beste voor zichzelf doen. Zo ging het nu met de Atheners.

Ondertussen hadden de Thebanen, die ernaar verlangden wraak te nemen op de Atheners, naar het orakel gestuurd en door de Pythoness verteld dat ze op eigen kracht hun wens niet zouden kunnen vervullen: "ze moeten de zaak voorleggen," zei ze, "voor de veelstemmigen, en vraag de hulp van degenen die het dichtst bij hen staan." De boodschappers riepen daarom bij hun terugkeer een vergadering bijeen en legden het antwoord van het orakel voor aan de mensen, die nauwelijks het advies hoorden "de hulp in te roepen van degenen die het dichtst bij hen waren" of ze riepen uit: "Wat! zijn ze niet wie wonen het dichtst bij ons de mannen van Tanagra, van Coronaea en Thespiae? Toch vechten deze mannen altijd aan onze kant, en hebben ons de hele oorlog met een goed hart geholpen. Wat voor zin heeft het om hen te vragen? Maar misschien dit is niet de ware betekenis van het orakel."

Terwijl ze zo met elkaar spraken, riep een zekere man, op de hoogte van het debat: "Ik denk dat ik begrijp welke koers het orakel ons zou aanraden. Asopus, zeggen ze, had twee dochters, Thebe en Egina. De god betekent dat, aangezien deze twee zussen waren, we de Eginetans zouden moeten vragen om ons te helpen." Omdat niemand kon hi


Een kaart van genderdiverse culturen

Op bijna elk continent, en voor de hele opgetekende geschiedenis, hebben bloeiende culturen meer dan twee geslachten erkend, vereerd en geïntegreerd. Termen als “transgender” en “gay” zijn strikt nieuwe constructies die drie dingen veronderstellen: dat er slechts twee geslachten (man/vrouw), maar liefst twee seksualiteiten (homo/hetero) en slechts twee geslachten zijn (man vrouw).

Toch hebben honderden verschillende samenlevingen over de hele wereld hun eigen lang gevestigde tradities voor het derde, vierde, vijfde of meer geslachten. Het onderwerp van Twee geesten, Fred Martinez, bijvoorbeeld, was geen jongen die een meisje wilde zijn, maar zowel een jongen als een meisje - een identiteit die zijn Navajo-cultuur herkende en vereerde als nádleehí. Ondertussen, Hina van Kumu Hina maakt deel uit van een inheemse Hawaiiaanse cultuur die traditioneel wordt vereerd en gerespecteerd mahu, degenen die zowel de mannelijke als de vrouwelijke geest belichamen.

De meeste westerse samenlevingen hebben geen directe correlatie met deze traditie, noch met de vele andere gemeenschappen zonder strikte of/of opvattingen over seks, seksualiteit en gender. Wereldwijd is de enorme verscheidenheid aan genderexpressie bijna onbeperkt. Volg een rondleiding en leer hoe andere culturen genderdiversiteit zien.

OPMERKING: Sommige school- of bedrijfsdomeinen blokkeren aangepaste Google Maps, dus u moet mogelijk inloggen met een ander of persoonlijk e-mailadres om de kaart te zien.


Gerelateerde artikelen over kaarten maken:

De UK Mail Online heeft een lijst samengesteld door Peter Barber, hoofd kaartverzamelingen bij de British Library, van enkele van de grootste kaarten die de wereld hebben beïnvloed. Lijst maken is de kaarttoepassing Google Earth en de mogelijkheid om gebruikers in staat te stellen hun geografische informatie naar keuze over elkaar heen te leggen. kapper waarschuwt,

Bijna voor het eerst is de mogelijkheid om een ​​nauwkeurige kaart te maken in de handen van iedereen geplaatst, en het heeft de manier veranderd waarop we de wereld zien. Maar het heeft een prijs.

Er zijn weinig of geen overeengekomen normen over wat moet worden opgenomen, en de minder bevolkte en 'minder belangrijke' regio's worden genegeerd.

De lijst is aan de eurocentrische kant en de meeste op de lijst zijn gemaakt door Europeanen.


Bekijk de video: Herodotus of Halicarnassus Lecture (Januari- 2022).